header

BTW verlegd of niet? Wat is het risico?

10-03-2022
tekz_websiteheader_maart

BTW verlegd of niet? Wat is het risico?

In de BTW-wetgeving wordt in diverse gevallen de BTW “verlegd”. Dit wil zeggen dat de ondernemer die een levering of dienst verricht géén BTW in rekening brengt aan de afnemer/ondernemer. De afnemer moet de BTW zelf als verschuldigd aangeven. Deze BTW kan door de afnemer, indien die daartoe gerechtigd is, op dezelfde aangifte in aftrek worden gebracht. Of te wel “plussen en minnen” op een en dezelfde aangifte.  

Een veel voorkomende verlegging is die bij onderaanneming en bij uitlening van personeel, in het kader van de uitvoering van een werk van stoffelijke aard dat betrekking heeft op onroerende zaken en schepen. Van belang is hier dat sprake is van een verhouding onderaannemer – aannemer. In veel gevallen zal duidelijk zijn dat een opdrachtgever een aannemer is. Echter, een zogenoemde “eigenbouwer” wordt ook als aannemer aangemerkt. Een eigenbouwer is een ondernemer die zonder opdracht van een opdrachtgever in de normale uitoefening van zijn bedrijf een project uitvoert. Hierbij kan worden gedacht aan een projectontwikkelaar. Het is dus niet altijd éénduidig of de verleggingsregeling van toepassing is.  

Wat nu als de verleggingsregeling abusievelijk niet wordt toegepast? 

Formeel heeft de afnemer dan géén recht op aftrek van de BTW, omdat deze BTW ten onrechte in rekening is gebracht. Indien de BTW niet is afgedragen, zal de belastingdienst zich in eerste instantie wenden tot diegene die de factuur heeft uitgereikt, maar het kan anders lopen. Zo ook in de Rechtbank procedure uit 2020 (recent bevestigd door de Hoge Raad).   

De belanghebbende in deze procedure had in 2014 een opdracht aangenomen voor bouwwerkzaamheden. Belanghebbende besteedde dit uit aan een derde, die voor zijn werkzaamheden facturen met BTW uitreikte. De BTW werd evenwel niet afgedragen. De belastingdienst had geconstateerd dat naheffing bij de derde geen resultaat zou opleveren. Als gevolg daarvan werd de door belanghebbende in aftrek gebrachte BTW, bij hem nageheven vermeerderd met een boete.  

De Rechtbank (en later het Gerechtshof) liet de naheffing in stand met de overweging dat belanghebbende bij het accepteren van de facturen niet voldoende zorgvuldig had gehandeld. Gelet op de kennis van zijn adviseur en de branche waarin belanghebbende werkte, behoorde hij de regeling te kennen. Hij had dan ook om nieuwe facturen met “BTW verlegd” moeten vragen. 

De Hoge Raad tenslotte, oordeelde dat de klachten van belanghebbende niet konden leiden tot vernietiging van de Rechtbank uitspraak en wees het beroep in cassatie zonder motivering af.  

Uit het bovenstaande blijkt dat het belangrijk is, dat goed wordt gekeken of er een verleggingsregeling van toepassing is. Zolang diegene die zijn factuur abusievelijk met BTW uitreikt, de BTW afdraagt (en dit kan worden aangetoond) zal het in beginsel voor de afnemer geen problemen geven. Indien de BTW niet wordt afgedragen, kan het geheel anders aflopen.  

Bronnen: Rechtbank Zeeland-West Brabant van 16 augustus 2018, zaaknummer BRE 17/707, Gerechtshof -’s-Hertogenbosch van 30 januari 2020, zaaknummer 18/00562, Hoge Raad van 18 februari 2022, zaaknummer 20/00977 

Stel een vraag: 

Er zijn geen resultaten gevonden.