header

Eindelijk een eind aan ‘oneerlijke’ Box III heffing? Of toch niet?

25-11-2021

Eindelijk een eind aan ‘oneerlijke’ Box III heffing? Of toch niet?

Op 1 november jl. heeft Advocaat-Generaal (A-G) Niessen als hoogste adviseur van de Hoge Raad een interessante conclusie uitgebracht inzake een procedure over de alom verfoeide Box III heffing. Na vele gerechtelijke uitspraken in vergelijkbare zaken, waarbij de belastingplichtige iedere keer het onderspit moest delven, lijkt er nu door de A-G een manmoedige poging te worden gedaan om het tij ten gunste van belastingplichtigen te keren. De onderhavige procedure die door de belastingplichtige werd gevoerd, is een van de zaken in het kader van de zogenoemde massaal-bezwaarprocedures. Hierbij is de vraag aan de orde of de vermogensrendementsheffing in Box III in strijd is met het Europese Recht (1).

Wat was het geval? De procederende belastingplichtige had in 2017 een vermogen van ongeveer € 1 miljoen dat voor 80% was belegd in spaargeld met een lage rente. Hij werd echter niet belast voor het lage rendement dat volgens de wet bij spaargeld hoort, maar door het wettelijke systeem werd verondersteld dat voor slechts 21% in spaargeld wordt belegd en voor het overige in ander vermogen (dat volgens de wet een veel hoger rendement oplevert). Deze fictieve vermogensmix resulteerde in een veel hogere belastbare opbrengst dan de opbrengst die de belastingplichtige werkelijk had genoten. Tegen deze onrechtmatigheid ging de belastingplichtige (net als vele vóór hem) procederen. Nadat de rechtbank Gelderland de belastingplichtige ongelijk had gegeven, is hij in beroep gegaan bij de Hoge Raad.

Bij deze procedure geeft de A-G in zijn conclusie (advies aan de Hoge Raad) aan dat het systeem van de fictieve vermogensmix geen rekening houdt met de eigen keuze van de belastingplichtige voor de belegging van zijn vermogen. De heffingsgrondslag heeft hierdoor geen verband met het inkomen van de individuele belastingplichtige. Daarom volgt de heffing niet uit de grondslag van de belastingwet, te weten een heffing naar het door de belastingplichtige genoten inkomen; de belastingheffing is dan ook hoger dan het behaalde rendement! Verder geeft de A-G aan dat de vaststelling van de heffingsgrondslag voorzienbaar en onvermijdelijk discriminerend is doordat grote ongelijkheid optreedt in de belastingheffing van gelijke gevallen (en gelijke heffing in ongelijke gevallen). Van een eerlijke belangenafweging tussen staat en burger is dan geen sprake, nu de doelmatigheidsvoordelen die de staat geniet, niet opwegen tegen de ernstige schendingen van verdragsrechten. De A-G is dan ook van mening dat de regeling in strijd is met het recht van eigendom en het gelijkheidsbeginsel.

Een dergelijk oordeel hebben wij in vergelijkbare zaken overigens al eerder gezien. Toen werd echter aangegeven dat de politiek het ontstane rechtstekort zou moeten oplossen door eenvoudigweg de wet te wijzigen. Maar daar heeft de politiek de afgelopen jaren niets mee gedaan. Wat nu echter opvalt, is dat de A-G aangeeft dat de politiek helemaal niet nodig is, maar dat de rechter kan en moet ingrijpen in dit rechtstekort. Kortom, de A-G heeft het geduld met de politiek verloren.

Wat betekent dit nu in de praktijk? Ten eerste, het betreft een advies van de A-G. Het is maar de vraag of de Hoge Raad dit advies ook opvolgt. Dat is zeker geen Wet van Meden en Perzen! Ten tweede begrijpen wij de conclusie van de A-G zo, dat de Box III heffing zeker niet voor alle belastingplichtigen zou komen te vervallen. Slechts de (beperkte) groep van belastingplichtigen waarvan het belaste Box III vermogen grotendeels uit bijvoorbeeld laagrenderende spaarrekeningen bestaat, zou naar onze mening een kans maken om de Box III heffing te bestrijden. Belegt u bijvoorbeeld voor een fors deel in onroerende zaken of aandelen, dan achten wij de kans op succes eendachtig de conclusie van de A-G uiterst beperkt. Kortom, ondanks alle euforie in de media is enige nuancering zeker op zijn plaats.

Echter, ook wij kunnen niet in de toekomst kijken. Daarom adviseren wij u om zekerheidshalve bezwaar te (laten) maken tegen de nog openstaande belastingjaren (2). Niet geschoten is immers altijd mis. Vanzelfsprekend kunnen wij u behulpzaam zijn bij het opstarten van deze bezwaarprocedure.

Wilt u meer informatie over dit onderwerp, of wilt u laten toetsen of u enige kans maakt in een eventuele procedure, dan kunt u uiteraard contact opnemen met één van onze adviseurs!

(1). Meer in het bijzonder artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en/of artikel 14 EVRM.
(2). Dit betreft de jaren waarvan de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen nog niet definitief zijn vastgesteld. Een aanslag is definitief wanneer er 6 weken na de dagtekening van de aanslag zijn verstreken.

Stel een vraag: 

25-11-2021

Eindelijk een eind aan ‘oneerlijke’ Box III heffing? Of toch niet?

Eindelijk een eind aan ‘oneerlijke’ Box III heffing? Of toch niet?