• 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6

De VAR is exit, lange leve de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties. Of toch niet?

De Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties dereguleert namelijk helemaal niets!

In de nacht van 2 op 3 juli 2015 is het wetsvoorstel Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wdba) als een hamerstuk door de Tweede Kamer aangenomen. Dat het een hamerstuk zou worden had ik kunnen weten; na lezing van het conceptverslag van het wetgevingsoverleg van 29 juni jl. en bij de eerdere behandeling van het wetsvoorstel, buitelden de Tweede Kamerleden van de vaste commissie voor Financiën al over elkaar heen met complimenten voor de Wdba. Toen al vroeg ik mij ernstig af waarom de Wbda op brede steun kon rekenen. Is het een gebrek aan fiscale kennis of leven de leden – om de woorden van de heer J. Klaver van GroenLinks maar te parafraseren – in een andere wereld? Deze maand (oktober 2015) komt de commissie Financiën van de Eerste Kamer bijeen. Hopelijk zet de Eerste Kamer een streep door het wetsvoorstel. Fracties in de Eerste Kamer, maar ook belangenorganisaties zetten grote vraagtekens bij de bedoeling en de uitvoerbaarheid van de wet. Zo is er kritiek op de tijdsdruk, want met nog drie maanden te gaan ligt er alleen nog een modelovereenkomst voor de thuiszorg (en ook die staat inmiddels onder druk). Bovendien zit in het wetsvoorstel niet de beloofde verheldering van de regelgeving en ook geen vermindering van het papierwerk. Ook ik zie niets in het wetsvoorstel. Hieronder, zal ik uitleggen waarom de Wdba in feite een treurig en nauwelijks serieus te nemen wetsvoorstel is.

De Wdba is een alternatief voor de bij de politici blijkbaar in onmin geraakte (waarom eigenlijk?) Verklaring arbeidsrelatie (VAR). Over het voorstel Beschikking Geen loonheffingen (BGL) zal ik het maar niet hebben, want dat voorstel is terecht in een vroeg stadium al afgeschoten. De Wdba laat de VAR-verklaringen met ingang van 2016 verdwijnen. Tot die tijd blijft de huidige VAR-systematiek gehandhaafd. De contouren van de Wdba zijn tot stand gekomen na overleg met vakbonden (?), zzp-organisaties en werkgeversorganisaties en ziet er samengevat als volgt uit.

De Belastingdienst gaat (model)overeenkomsten beoordelen

Onder de Wdba gaan (belangenorganisaties van) opdrachtgevers, individuele opdrachtgevers en zzp-ers modelovereenkomsten ter goedkeuring voorleggen aan de Belastingdienst. Als de Belastingdienst de overeenkomsten goedkeurt (gemiddeld duurt dat zes weken), dan hebben opdrachtgevers en zzp-ers de (schijn)zekerheid dat geen loonheffingen hoeven te worden ingehouden en afgedragen. De goedkeuring voor de (model)overeenkomst geldt in principe voor vijf jaar. Er komt tevens de mogelijkheid dat de beoordeling van de overeenkomsten door de Belastingdienst per sector kan plaatsvinden. Er zullen zo snel mogelijk zo’n veertig (!) sectorale en algemene overeenkomsten moeten worden opgesteld, die vervolgens op de site van de Belastingdienst zijn te raadplegen. Een heel belangrijk punt is wel dat de overeenkomst aansluit met de praktijk. Immers, papier is geduldig. Is dit niet het geval, dan kan de opdrachtgever een correctieverplichting of naheffingsaanslag krijgen. De opdrachtnemer blijft buiten schot. Hierbij moet in het achterhoofd worden gehouden dat het uitgangspunt van de staatssecretaris is: verbetering van de handhaving door de Belastingdienst en herstel van de balans in verantwoordelijkheden van opdrachtgevers en zzp-ers.

Hoe moet de Wdba beoordeeld worden?

Als adviseur en docent op het gebied van loonheffingen heb ik de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel zorgvuldig doorgelezen en ik ben uiterst bezorgd geraakt. Sterker nog, mijn conclusie is dat de Wdba absoluut geen vooruitgang is ten opzichte van de huidige situatie. Mijn kritiek bestaat eruit dat er tientallen, zo niet honderden (model)overeenkomsten gaan ontstaan. Daarnaast leidt het sluiten van een overeenkomst niet tot zekerheid bij de opdrachtgever c.q. -nemer. Uit het wetsvoorstel valt namelijk af te leiden dat:

  1. modelovereenkomsten per sector kunnen worden overeengekomen;
  2. modelovereenkomsten kunnen worden voorgelegd die sector-overstijgend zijn;
  3. maatwerkovereenkomsten kunnen worden voorgelegd aan de Belastingdienst;
  4. door de Belastingdienst ontwikkelde overeenkomsten kunnen worden gebruikt; en
  5. keuzevrijheid bestaat in de vorm van de af te sluiten overeenkomsten.

Dit gaat vanzelfsprekend leiden tot een wildgroei aan overeenkomsten. Wie dat ontkent leeft in een andere wereld. Nog daargelaten hoe een sector moet worden gedefinieerd. Als een sector wordt gedefinieerd aan de hand van de SBI-codes van het CBS, dan wordt het een hele kluif. Ook ben ik van mening dat sprake zal zijn van schijnzekerheid. Stel dat de opdrachtgever en de zzp-er er van overtuigd zijn dat voldaan wordt aan de modelovereenkomst voor sector X. Vervolgens komt de fiscus langs, toetst de overeenkomst aan de ‘werkelijkheid’ en oordeelt dat niet gewerkt wordt conform de overeenkomst en is bovendien van mening dat het verkeerde ‘sectorcontract’ is overeengekomen. Anders dan thans het geval is met de VAR-wuo of VAR- dga, zijn de gevolgen voor de opdrachtgever desastreus: een correctieverplichting of naheffing bij de opdrachtgever (met boete en rente). Immers, de staatssecretaris heeft namelijk geschreven dat:

“(…) is het van belang dat ook daadwerkelijk wordt gewerkt overeenkomstig de beoordeelde overeenkomst. Indien bij een controle van de Belastingdienst blijkt dat er in de praktijk niet volgens die overeenkomst wordt gewerkt, is er geen vrijwaring voor de loonheffingen. De Belastingdienst beoordeelt de arbeidsrelatie op grond van de aangetroffen feiten en omstandigheden. Het kan daarbij zijn dat de arbeidsverhouding gelet op de wijze waarop wordt gewerkt, moet worden gekwalificeerd als een dienstbetrekking of een fictieve dienstbetrekking. Is dat het geval, dan zal de Belastingdienst aan de opdrachtgever een correctieverplichting of een naheffingsaanslag voor de loonheffingen opleggen. Of de Belastingdienst daarbij een boete kan opleggen, is afhankelijk van de omstandigheden. (…).”

Hoe gaat de Belastingdienst de overeenkomsten dus beoordelen? Welnu, aan de hand van de bestaande jurisprudentie…… Dat is niet anders dan wat in het pre-VAR tijdperk werd gedaan. En dat allemaal onder het mom van ‘herstel van evenwicht in de verantwoordelijkheden van opdrachtgever en opdrachtnemer’. Feitelijk hebben de opdrachtgever en de opdrachtnemer dus eerst na vijf jaar (de naheffingstermijn) zekerheid. Hoe werk- en opdrachtgeversorganisaties zich hierin hebben kunnen vinden is mij een raadsel.

Het is mij ook een raadsel dat alle Kamerleden bij de beantwoording van hun vragen zich met een kluitje het Wbda-bos in hebben laten sturen door de staatssecretaris. Vooral waar het de antwoorden betreft die zien op het bemiddelings- en tussenkomstmodel. Ik weet vrijwel zeker dat detacherings- en uitzendbureaus met de handen in het haar zitten. Waaruit nog maar eens blijkt dat de fiscale- en praktijkkennis van Kamerleden van een bedroevend laag niveau is. Zo wordt ook zonder enige onderbouwing in de Tweede Kamer gesteld dat de VAR een failliet concept ( Conceptverslag van een wetgevingsoverleg, De heer Groot (PvdA) in de vaste commissie voor Financiën en de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, d.d. 29 juni 2015) is en dat er ongeveer alles mis mee is. Maar waar blijkt dat dan uit? Feitelijk is sprake van self fulling prophecy. Als de politiek in de media maar blijft roepen dat de VAR niet deugt, dan deugt de VAR blijkbaar niet? Een ander, misschien nog wel ergerlijk punt is dat Kamerleden niet weten dat het recht op een werkloosheidsuitkering losstaat van premietaling en dat zij (en overigens ook de staatssecretaris) daar eerst bij de behandeling van de Wdba achter komen. Vervolgens wordt in het wetgevingsoverleg door de staatssecretaris ook nog eens gezegd dat als een zzp-er zich bewust niet houdt aan de (model)overeenkomst ten einde een WW-uitkering te krijgen, de opdrachtgever dan de schade kan verhalen. Maar ja, ik heb nog niet gezien dat art. 20 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) wordt veranderd. Daarin staat namelijk vermeld: “De werkgever mag de door hem verschuldigde premie niet verhalen op de werknemer. Elk beding waarbij van de eerste zin wordt afgeweken, is nietig.” Dus hoezo premie verhalen?

Nogmaals; hoezo is het wenselijk om de VAR af te schaffen en hoezo bevordert de Wdba deregulering met al die verschillende overeenkomsten? Met wat meer inzet van controleambtenaren van de Belastingdienst zou de huidige VAR-systematiek kunnen worden gecontinueerd. Dan zou de Belastingdienst zorgen voor handhaving. Nu wordt het al te makkelijk achterover leunen om na een aantal jaren te controleren om uiteindelijk met een onmogelijke bewijstaak te worden opgezadeld, namelijk: is er gewerkt volgens een modelovereenkomst….. Hoe ga je dat beoordelen als dat al jaren geleden heeft plaatsgevonden, aan de hand waarvan? Als de Wdba wordt ingevoerd verwacht ik drukke tijden (ook voor de onder druk staande rechterlijke macht) of zoals een collega loonheffingenspecialist het onlangs verwoordde: “We zouden natuurlijk nog wel een bedankje kunnen sturen voor het vele werk en de procedures die er aan zitten te komen.”

Binnen drie jaar na de inwerkingtreding van de Wdba zal deze worden geëvalueerd. Het zal wel weer een succesverhaal worden, ware het niet dat de eerste procedures net ná die periode zullen worden gevoerd… Ik hoop dat de Eerste Kamer het wetsvoorstel van tafel veegt.

mr. R.H.R. Vliese is werkzaam bij TEKZ Belastingadviseurs en is tevens verbonden aan Nyenrode Business Universiteit

Over de auteur
Roy Vliese
Fiscaal jurist
Roy Vliese is gespecialiseerd in loonheffingen, (internationale) sociale zekerheid, lucratief belang en werknemersparticipaties. Roy Vliese is tevens verbonden aan de Nyenrode Business Universiteit
Meer columns van deze auteur:

TEKZ Belastingadviseurs

072 515 81 17

KVK:

37158306